Een dier dat bij de Vogel- en Egelopvang binnenkomt wordt direct ingeschreven in de administratie. Daarbij wordt genoteerd of het een jong of een volwassen dier betreft.
Deze informatie is belangrijk omdat jonge dieren vaak een andere verzorging nodig hebben dan volwassen dieren. Een jonge vogel kan een bloot kuiken zijn, dat net uit het ei
is gekropen, maar het kan ook een zelfstandige vogelpuber zijn. Om deze leeftijdverschillen enigszins vast te leggen worden bij de opvang verschillende termen gebruikt,
zoals nestjong, uitvlieger of zelfstandig jong.
Bij de opvang worden ieder jaar veel jonge vogels gebracht, die om zeer uiteenlopende redenen in de problemen zijn gekomen. Ze kunnen uit het nest zijn gevallen of door een
kat gepakt, maar er vliegen ook veel jonge vogels tegen ramen of in het water. Ook kunnen ze hun ouders kwijtraken terwijl ze nog niet voor zichzelf kunnen zorgen. In 2005
zijn er in totaal 970 jonge vogels gebracht, hetgeen neerkomt op bijna 60% van alle wilde vogels die we in dat jaar hebben opgevangen.
Vogelsoorten waarvan we jongen ontvangen
De 970 jonge vogels uit 2005 zijn van 46 verschillende vogelsoorten afkomstig. In tabel 1 heb ik al deze soorten ingedeeld naar de maand waarin we het eerste jong van deze soort binnenkregen.
tabel 1: Maand waarin het eerste jong van een bepaalde vogelsoort is gebracht in 2005.
| maand | soort (* = zomergast) |
| januari | kokmeeuw, stadsduif, turkse tortel |
| februari | stormmeeuw, zilvermeeuw, kleine mantelmeeuw, houtduif |
| maart | blauwe reiger, wilde eend, fuut |
| april | heggemus, spreeuw, merel, meerkoet , huismus, holenduif |
| mei | boomkruiper, koolmees, pimpelmees, roodborst, winterkoning, grote bonte specht, ekster, kauw, vlaamse gaai, zwarte kraai, bergeend, nijlgans, waterhoen, knobbelzwaan, scholekster |
| juni | zwartkop*, boerenzwaluw*, gierzwaluw*, huiszwaluw*, zanglijster, torenvalk, vink |
| juli | witte kwikstaart*, boomvalk*, kerkuil, fazant , groenling |
| augustus | koekoek*, putter |
| oktober | buizerd |
Meeste soorten in mei
In tabel 1 is te zien dat bijna het gehele jaar door jonge vogels bij de opvang worden gebracht. In mei komen van de meeste vogelsoorten de eerste jongen bij de opvang
binnen. Dit komt waarschijnlijk omdat het zwaartepunt van het broedseizoen voor het merendeel van de Nederlandse broedvogels tussen maart en juli ligt.
De vogelsoorten in tabel 1 zijn voornamelijk standvogels, die het hele jaar in Nederland blijven. Zomergasten overwinteren in het zuiden en komen omstreeks april/mei in
Nederland terug om te broeden. Daardoor beginnen ze later in het jaar met broeden dan standvogels. De zomergasten heb ik in de tabel met een * gemarkeerd. Het totale
aantal jonge zomergasten dat de opvang met een bezoek vereert is gering, het gaat slechts om 17 individuen.
Oudere jongeren
In tabel 1 is te zien dat er in januari en februari jonge meeuwen zijn gebracht. Deze winterse jonge meeuwen waren allemaal zelfstandige vogels, die al minstens een half
jaar oud waren. Een kokmeeuw doet er ruim een jaar over om het volwassen verenkleed te verkrijgen, voor een stormmeeuw duurt het bijna twee jaar en zilvermeeuwen en kleine
mantelmeeuwen zijn zelfs in hun derde winter nog als "jong" te herkennen. In de directe omgeving van Delft broeden weinig meeuwen en daarom komen er zelden nestjongen van
meeuwen in de opvang. In 2005 kregen we slechts één keer een nestjong van een kleine mantelmeeuw en dat was in de maand juni.
Omdat het vele maanden tot jaren kan duren voordat een vogel het volwassen verenkleed verkrijgt, geeft de maand waarin een jonge vogel wordt gebracht geen garantie dat het
jong ook in die maand is uitgebroed. Toch geldt voor de meerderheid van de jonge vogels in tabel 1 dat ze nog niet zelfstandig waren op het moment dat ze bij de opvang
arriveerden.
Talrijkste vogelsoorten in de opvang
Van de meeste vogelsoorten in tabel 1 krijgen we ieder jaar wel één of meerdere jongen in de opvang. Het aantal jongen dat per soort wordt gebracht verschilt sterk. Van
meer dan de helft van de soorten werden minder dan 10 jongen gebracht. Slechts van 6 vogelsoorten kregen we meer dan 50 jongen aangeleverd, dat zijn de wilde eend, de merel,
de kauw, de stadsduif, de turkse tortel en de houtduif. Dit zijn algemene vogelsoorten, die in de directe omgeving van mensen broeden en daardoor meer kans lopen om in de
opvang te belanden.
In figuur 1 heb ik het aantal jonge kauwen, houtduiven en merels weergegeven, dat we in 2005 per maand binnen kregen om inzicht te geven in het verloop van het broedseizoen
van deze soorten.

In figuur 1 is te zien dat het grootste aantal jonge merels in mei binnenkomt. In de maanden april, juni, juli en augustus worden echter ook behoorlijk wat jonge merels
gebracht, waaruit blijkt dat het broedseizoen van de merel over een periode van 5 maanden is gespreid.
Voor kauwtjes ligt de piek in juni. De eerste jonge kauw kwam op 20 mei binnen en in de eerste twee weken van juni werd bijna 60% van alle jonge kauwen aangeleverd. Het
broedseizoen van kauwen is dus korter dan dat van merels.
Jonge houtduiven worden van februari tot november gebracht. De houtduif heeft het broedseizoen zelfs nog sterker opgerekt dan de merel. De tamelijk vlakke houtduivenpiek
valt in de nazomer, op het moment dat er veel zaden en bessen rijp zijn om de jongen mee te voeren. De beschikbaarheid van voedsel voor de jongen is voor wilde vogels heel
belangrijk om hun broedseizoen op af te stemmen.
Caroline Elfferich
Een selectie van enkele artikels uit de Penneveer, najaar 2006:
- Ervaringen met jonge vogels in mei
- Jonge egel in september
- De opvang tijdens het broedseizoen
- Overzicht inclusief andere edities