Duiven in de opvang

Artikel uit de Penneveer, voorjaar 2008

Duiven zijn frequente gasten in de Vogel- en Egelopvang. Ongeveer een kwart van alle dieren die we ontvangen zijn duiven. Hoewel het aanbod aan duiven groot is vind ik deze vogels allesbehalve saai of gewoontjes. Als je ze een beetje leert kennen, zie je grote verschillen in karakter tussen individuen. Sommige duiven kijken je zo lief aan dat je ter plekke wegsmelt. Andere duiven hakken met hun snavel venijnig in je hand als je alleen maar hun voerbakje wilt verschonen.

groep-duiven

Tabel 1: heb ik een overzicht gemaakt van de aantallen van de verschillende soorten duiven, die van 2001 tot en met 2006 in de opvang zijn gebracht.

Tabel 1: Aantallen van de verschillende duivensoorten, die in de periode van 2001 tot en 2006 in de opvang zijn gebracht.

. 2001 2002 2003 2004 2005 2006
Sierduif 28 21 30 44 39 45
Postduif 55 81 63 64 61 44
Stadsduif 160 187 167 153 149 141
Turkse Tortel 113 85 131 110 136 126
Houtduif 125 155 166 201 215 205
Holenduif 1 0 0 0 3 0
Lachduif 5 4 7 6 3 7
Diamantduif 1 1 2 1 2 2

Sierduiven, postduiven, lachduifjes en diamantduifjes zijn tamme vogels, waar een (nieuwe) eigenaar voor moet worden gezocht. De overige duivensoorten kunnen na herstel weer worden vrijgelaten.

witte-duifTamme en verwilderde duiven
De wilde voorouder van de postduif, stadsduif en sierduif, is de rotsduif. Rotsduiven nestelen aan steile rotskusten en in berggebieden. Ze komen in Nederland niet in het wild voor. Tot voor kort dacht ik dat stadsduiven afstammen van verwilderde postduiven, maar volgens Hein van Grouw, conservator van de vogels bij Naturalis, is dat niet juist. Hij schreef: “De meeste postduiven die de weg kwijtraken overleven het niet in het wild. Stadsduiven bestaan bovendien al veel langer dan postduiven. De ontwikkeling van de postduif en de hobby die daar bij hoort, is nog geen 200 jaar geleden in België begonnen. De stadsduiven zijn nog nakomelingen van de zogeheten “torenduiven”; dit waren duiven die eeuwen geleden al in halfwilde staat werden gehouden in grote torens (duiventorens) voor hun mest en het vlees van de jongen. Deze torens stonden veelal op grote landgoederen, want het houden van duiven was vooral voorbehouden aan de rijken.”

Postduiven en sierduiven hebben doorgaans een ring om hun poot, waarop hun geboortejaar en land staat vermeld, alsmede een nummer waarmee de eigenaar kan worden achterhaald. Aanvankelijk verkeerde ik in de blijmoedige veronderstelling dat een eigenaar direct zou komen aansnellen om zijn gestrande duif bij ons op te halen, maar de realiteit is vaak minder rooskleurig. Een deel van de postduiven die we binnenkrijgen heeft een extra ring aan de poten, waaruit blijkt dat de vogel met een wedstrijd meedeed.

Als we in tabel 1 kijken naar de ontwikkeling van de aantallen tamme en verwilderde duiven dan lijkt het erop dat er vanaf 2004 meer sierduiven binnenkomen dan in de jaren daarvoor. Wellicht worden er meer sierduiven gehouden, maar het kan ook toeval zijn. Voor stadsduiven en postduiven is geen duidelijke toename of afname te zien.

OLYMPUS DIGITAL CAMERAWilde duiven
Turkse tortels hebben halverwege de vorige eeuw op eigen houtje ons land gekoloniseerd, door uitbreiding van hun verspreidingsgebied in westelijke richting. Deze beige duifjes met hun zwarte halsbandje verspreidden zich destijds snel over heel Nederland. Aanvankelijk nam het aantal broedgevallen sterk toe, maar inmiddels zijn de aantallen redelijk gestabiliseerd. Turkse tortels komen hoofdzakelijk voor in stedelijk gebied en het is dan ook niet zo vreemd dat er veel hulpbehoevende tortels door mensen worden gevonden en naar de opvang gebracht.

De houtduif is een grote duif met prachtige pasteltinten. Het zijn sterke, paniekerige vogels, die zichzelf in gevangenschap snel beschadigden. Ze broeden al sinds mensenheugenis in Nederland, maar tot voor kort waren ze hoofdzakelijk in min of meer natuurlijke biotopen te vinden. Tegenwoordig is de houtduif ook in het stedelijk gebied te vinden als broedvogel. Twintig jaar geleden werden er weinig houtduiven bij de opvang gebracht, maar tegenwoordig zijn het de talrijkste duiven in de opvang. In tabel 1 is te zien dat het aantal houtduiven dat bij de opvang is gebracht in de periode van 2001 tot 2005 toeneemt. Daarna is geen verdere toename te zien in het aantal opgevangen houtduiven, misschien is de populatie in de omgeving van Delft inmiddels gestabiliseerd.

De holenduif broedt in holen van oude bomen, maar ook nestkasten voor uilen of holtes in gebouwtjes worden als nestplaats geschikt geacht door deze duifjes. Op het eerste gezicht lijken ze op stadsduiven, maar ze zijn iets kleiner, het verenkleed is overwegend blauwgrijs en het kopje is fijner gebouwd. In sommige stadsparken broeden holenduiven, maar ze zijn niet talrijk en ze houden een flinke afstand van mensen. Dat is te zien aan het geringe aantal holenduiven dat we in de opvang krijgen.

Wat mankeren de duiven in de opvang?
Er zijn vele redenen waarom een duif bij de opvang kan worden gebracht. Van Turkse tortels, houtduiven en stadsduiven worden veel jonge dieren gebracht, die nog niet voor zichzelf kunnen zorgen. Bij tamme duiven gaat het meestal om verzwakte of verdwaalde dieren. Stadsduiven zitten regelmatig met de poten verstrikt in allerlei soorten draden. We krijgen ook met olie besmeurde duiven. Wellicht krijgen ze die smerige troep op hun veren tijdens hun speurtochten naar voedsel in het afval van restaurants en snackbars. Verder eisen het verkeer, ramen, honden, katten en infectieziekten de nodige slachtoffers onder de duiven.

jonge-duifJonge duiven
Aanzienlijke aantallen jonge duiven worden jaarlijks aan onze zorgen toevertrouwd. In het jaar 2005 werden bijvoorbeeld 155 jonge houtduiven gebracht, hetgeen neerkomt op 70% van het totale aantal houtduiven! De jonge duiven zijn vaak uit het nest gevallen of ze hebben zich in de nesten gewerkt in de eerste tijd van hun bestaan als zelfstandige vogel. Duiven broeden het hele jaar door, zelfs midden in de winter. Overigens is er wel een duidelijk verloop in het aantal jonge duiven dat we gedurende het jaar krijgen aangeleverd. Vooral in de nazomer en de herfst zijn er veel jongen, als er veel duivenvoedsel beschikbaar is in de vorm van zaden en bessen.

Duiven staan bekend om hun vruchtbaarheid. Toch leggen ze niet meer dan twee eieren per legsel. Jonge duifjes worden gevoerd met kropmelk, een voedselrijke vloeistof die beide oudervogels in hun krop produceren. In het vogelrijk is het heel bijzonder dat jongen met kropmelk worden gevoed. Duiven zijn niet in staat om meer dan twee jongen tegelijk van kropmelk te voorzien en daarom hebben ze slechts weinig jongen per legsel. Duivenmelk is anders van samenstelling dan zoogdiermelk, het bevat bijvoorbeeld geen koolhydraten, maar wel ca. 12% eiwit en 6% vet en allerlei mineralen. Jonge duiven kunnen dus niet met koemelk worden gevoerd. Bij de opvang krijgen heel jonge duifjes speciaal vloeibaar voedsel.

Onder natuurlijke omstandigheden steken jonge duiven hun snavel tijdens het voeren diep in de keelholte van hun ouders. De snavelranden van jonge duiven zijn verdikt en voelen heel zacht aan, waardoor ze hun ouders niet verwonden. Als de duiven zelfstandig worden verdwijnen de zachte randen en wordt de snavel veel smaller. Vanwege het natuurlijke voergedrag van duiven sperren jonge duiven hun snavel niet open als ze gevoerd willen worden.

Zelfs heel hongerige, tamme duifjes houden hun snavels stijf dicht, maar ze produceren wel een luid, aanhoudend, trillerig gepiep om de aandacht te trekken. Ze moeten met een speciale techniek worden gevoerd, hetgeen redelijk arbeidsintensief is. Daar staat tegenover dat ze in tegenstelling tot andere jonge vogels vrij veel voer tegelijk in hun krop kunnen opslaan, waardoor je ze minder vaak hoeft te voeren. Na een goede maaltijd kan een duifje er wel weer een aantal uren tegen.

Infectieziekten
De drie besmettelijke duivenziekten waar we het meest mee te maken hebben zijn duivenpokken, ‘t geel en paramixo. Het zijn vervelende ziektes, waar veel duiven aan doodgaan. Gelukkig kunnen mensen niet besmet worden met deze duivenziekten en ook de meeste andere vogelsoorten zijn er niet bevattelijk voor.

grijze-houtduifParamixo kan er voor zorgen dat een duif z’n hoofd ondersteboven houdt Bij duivenpokken krijgen de vogels zwellingen, vaak aan de kop of de poten, waarbij niet zelden blijvende verminkingen optreden. ‘t Geel is een ziekte waarbij meestal in de keel een dikke gele klont ontstaat, die de vogel het eten verhindert en soms zelfs het ademhalen. Bij paramixo treden coördinatiestoornissen op, waarbij de kop niet meer goed bestuurbaar is, zodat de duif niet meer in staat is om voer op te pikken.

Tegen duivenpokken en paramixo hebben we geen goede medicijnen, de vogels moeten op eigen kracht genezen. Tegen ‘t geel hebben we een pil die goed werkt, maar bij vergevorderde stadia van de ziekte is deze niet altijd meer toe te dienen. In een aantal gevallen wordt tot euthanasie besloten. In tabel 2 heb ik een overzichtje gemaakt van het aantal duiven dat met een infectieziekte werd gebracht in 2002 en 2006.

Tabel 2: Aantal duiven dat met een infectieziekte werd gebracht in 2002 en 2006.

 . jaar Pokken paramixo ‘t geel
Turkse tortel 2002 0 1 13
 . 2006 2 0 12
Houtduif 2002 8 0 1
 . 2006 13 0 8
Stadsduif 2002 0 45 10
 . 2006 0 16 6

Paramixo kan er voor zorgen dat een duif z’n hoofd ondersteboven houdt In tabel 2 is te zien dat de verschillende duivensoorten niet even vatbaar zijn voor de drie ziektes. Turkse tortels worden vooral door ‘t geel getroffen, houtduiven door pokken en stadsduiven door paramixo. De wilde duiven lijken niet of nauwelijks last te hebben van paramixo, er was slechts 1 dubieus geval bij een Turkse tortel. Daar staat tegenover dat stadsduiven geen last lijken te hebben van pokken. Tegen ‘t geel is zo te zien geen enkele duif bestand.

kop-van-de-duifEen bepaalde ziekte kan zich het ene jaar veel sterker manifesteren dan het andere jaar, zoals te zien is aan het aantal gevallen van paramixo bij de stadsduif in 2002 in vergelijking met 2006. Duivenpokken vormen zich vaak rond de snavel en ogen Gedurende het gehele jaar worden er stadsduiven met paramixo gebracht, er is geen duidelijke periode waarin deze ziekte meer of minder voorkomt. Duiven met pokken zien we daarentegen voornamelijk in de maanden oktober en november, daarna neemt het aantal gevallen meestal snel af om pas weer de volgende herfst op te duiken. ‘t Geel lijkt in de zomermaanden minder voor te komen dan in de rest van het jaar.

Geschreven door Caroline Elfferich