Kauwen in de opvang

Artikel uit de Penneveer, najaar 2013

Ruim dertig jaar geleden trof ik op het balkon van mijn ouderlijk huis een jonge kauw met prachtige lichtblauwe ogen. De vogel was net zo groot als een volwassen kauw en had volgroeide vleugels, maar waarschijnlijk had het jong nog niet zo lang geleden de nestholte verlaten waarin hij was opgegroeid. Een aantal uren later zat de kauw nog steeds op het balkon, blijkbaar kon hij daar niet zelfstandig wegkomen. We zagen geen ouders in de buurt en besloten de vondeling in huis te nemen. De kauw gedroeg zich tam en liet zich vrij gemakkelijk voeren met regenwormen en brood. Best leuk, maar gaven we hem wel het goede voedsel? En hoeveel en hoe vaak moet zo’n vogel eten? We hadden geen idee. Bovendien is een kauw een grote vogel als hij los rondvliegt in je huis. En die kledderige poep wil je liever niet op je tapijt. We vroegen ons al spoedig af hoe we met goed fatsoen van onze kauw af konden komen. Iemand wist dat er een vogelasiel in Delft was en daar hebben we hem naartoe gebracht.

Kraaiachtigen
Het was niet de eerste en zeker niet de laatste kauw die sindsdien bij de vogelopvang is gebracht. In de afgelopen tien jaar (2003-2012) worden er jaarlijks gemiddeld 118 kauwen in de opvang aangeleverd. Kauwen worden gerekend tot de kraaiachtige vogels en daarvan broeden in Nederland zes soorten: kauw, zwarte kraai, roek, raaf, ekster en gaai (vroeger Vlaamse gaai geheten). Roek en raaf heb ik nog nooit in de omgeving van Delft gezien, maar de andere vier soorten zijn hier in de buurt tamelijk algemeen.

Kauwen worden soms wel eens met zwarte kraaien verward. Toch is het onderscheid meestal niet zo moeilijk, zeker als je ze van dichtbij kunt bekijken. Ten eerste is een kauw (lengte ca. 37 centimeter, gewicht ca. 200 gram) veel kleiner dan een zwarte kraai (lengte ca. 50 centimeter, gewicht ca. 500 gram), maar dat verschil is in het veld alleen duidelijk als je ze allebei tegelijk ziet. Het verenkleed geeft meer houvast; een zwarte kraai is geheel diepzwart van kleur, terwijl een kauw donkergrijs is, met lichtgrijze wangen en een zwart petje. Jonge kauwen hebben nog geen lichtgrijze wangen, maar deze jonge dieren zijn meestal in het gezelschap van hun ouders. De blauwe ogen van jonge kauwen verkleuren na verloop van tijd tot lichtgrijs.

In de afgelopen tien jaar werden er jaarlijks gemiddeld 47 zwarte kraaien, 13 gaaien en 38 eksters gebracht bij de opvang. In het jaar 2005 hebben we een roek in de opvang gehad. Waarschijnlijk betrof het een vogel uit gevangenschap, want de snavel was doorgegroeid en dat zie je zelden bij wilde vogels. Kauwen zijn verreweg de talrijkste kraaiachtigen die wij ontvangen. Dat komt waarschijnlijk omdat kauwen vooral in het stedelijk gebied broeden, bijvoorbeeld onder dakpannen of in schoorstenen. De kans is dan groter dat ze worden gevonden en naar de opvang gebracht worden als ze in problemen komen.

Tegenwoordig broeden er ook eksters, gaaien en zwarte kraaien in de bebouwde kom, onder andere omdat de vogels daar niet bejaagd worden en omdat het agrarisch gebied door intensivering van de landbouw steeds minder aantrekkelijk is geworden. Door de verschuiving van landelijk gebied naar stedelijk gebied lijkt het soms of een soort, bijvoorbeeld de ekster, enorm in aantal is toegenomen. Maar als je de ontwikkeling van de landelijke populatie bekijkt, dan blijkt dat er nu minder eksters in ons land broeden dan dertig jaar geleden.

Intelligent
De jonge kauwen die in de opvang komen zijn vaak opmerkelijk tam, al zitten er ook wel hele schuwe vogels bij met een aangeboren afkeer jegens mensen. Als de jonge kauwen in een groep opgroeien dan verliezen ze tijdens de ‘puberteit’ hun tamheid en richten ze zich volledig op hun soortgenoten.

nest-met-kauwtjesIn de opvang is het vrijwel nooit een probleem om ze in een groepje soortgenoten te plaatsen, want kauwen worden veel gebracht. Bovendien brengen kauwen slechts eenmaal per jaar een nest groot en dan ook nog eens behoorlijk synchroon, zodat we alle jonge kauwen in een periode van slechts enkele weken binnenkrijgen. Meestal ligt die periode tussen half mei en half juni.

Voor particulieren die een enkele vogel opvoeden is het uitwennen moeilijker. Zo’n kauw kan zich ontwikkelen tot een tamme volwassen vogel. Onder natuurlijke omstandigheden vormen kauwen paartjes, die veel bij elkaar in de buurt blijven. Vaak zie je ze samen vliegen, zelfs in een groep. De paartjes leven in een los groepsverband met veel sociale interacties. Tamme kauwen kunnen zich op een mens richten alsof het hun partner is, maar daar willen ze dan ook voortdurend mee in contact zijn. Er zijn maar weinig mensen die de mogelijkheid hebben om de hele dag met hun gevleugelde partner op te trekken.

In praktijk betekent dat de tamme kauw veel tijd alleen doorbrengt in een kooi en dat is een zware straf voor een sociaal dier als de kauw! Kauwen zijn intelligente vogels, die op vindingrijke wijze hun omgeving exploiteren. In de opvang zien we dat kauwen al snel een heleboel rommel maken in hun hok: kranten worden dubbelgevouwen, gescheurd en in de waterbak gepropt, evenals het voer. Maar een hok heeft natuurlijk veel minder uitdagingen te bieden dan een natuurlijke omgeving. Een speelse en intelligente vogel als een kauw raakt in een kooi in eenzame gevangenschap volledig gefrustreerd. Dat kan zich uiten in vervelend en agressief gedrag. Hetzelfde geldt voor andere kraaiachtigen.

kauwtjes-op-een-takVrijwel elk jaar worden er wel enkele tamme kraaiachtigen in de opvang gebracht. Dit jaar hebben we bijvoorbeeld een tamme gaai en een tamme zwarte kraai binnen gekregen. Soms lukt het om ze aan een soortgenoot te koppelen en ze naar tevredenheid uit te wennen, maar niet altijd. In sommige gevallen kan het moeilijk zijn om een goede bestemming te bedenken voor tamme kraaiachtigen. Als je ze vrij laat gaan ze naar mensen toe om aandacht te trekken. Dat wordt meestal niet op prijs gesteld. Kraaiachtigen zijn tamelijk groot en imponerend en veel mensen zijn er bang voor.

Boeiende vogels Kauwen zijn, net als andere kraaiachtigen, vaak toch al niet zo erg geliefd. Begrijpelijk, want ze gooien schoorstenen vol takken om er in te nestelen of ze trekken isolatiemateriaal onder de dakpannen vandaan met hetzelfde doel. Ze pesten katten en roofvogels, ze gooien stenen op auto’s en glazen afdakjes, ze schrokken in luttele seconden gestrooid brood op, ze tackelen vetbolletjes op die niet voor hun bedoeld zijn en tijdens het broedseizoen vergrijpen ze zich aan jonge vogels. Hoewel ik veel van bovenstaande bezigheden met eigen waarnemingen kan bevestigen draag ik kauwen toch een warm hart toe. Datzelfde geldt voor de meeste vrijwilligers die in de opvang werken.

Het zijn ontzettend boeiende vogels die ons in veel opzichten aan onszelf doen denken. Ik ken twee boeken waarin mensen schrijven over hun ervaringen met half tamme kauwen die vrij rond hun huis vlogen: ‘Ik sprak met viervoeters, vogels en vissen’ van gedragsonderzoeker Konrad Lorenz en ‘Kauwen in de spiegel’ van de kunstenaar Achilles Cools. Uit beide boeken spreekt een grote waardering en liefde voor kauwen. Als je zonder vooroordelen naar kauwen kunt kijken, ga je vanzelf van ze houden.

Geschreven door Caroline Elfferich